Gezocht: actieve burger (beschaafd, m/v)

4 september 2012

Stuur uw sollicitatie naar de Nederlandse staat. Uiterlijke reactiedatum: zsm, graag in ieder geval voordat de Euro valt. 

Hoe moet actief burgerschap vorm krijgen in de praktijk? Deze vraag staat centraal op de workshop: ‘Actief Burgerschap: How to make it work?’ (georganiseerd door o.a. Felix Meritis, 6 september a.s.). In dit essay pleit ik ervoor om ons ook af te vragen hoe die burger daadwerkelijk vorm geeft aan zijn burgerschap, en wie eigenlijk de grenzen bepaalt van zijn actieve ruimte? Op basis van dit essay en mijn cv ben ik op persoonlijke titel geselecteerd voor deelname aan de workshop. Ik zal binnenkort op deze website verslag doen van mijn bevindingen.

Het kan ons niet ontgaan zijn: anno 2012 is de burger de nieuwe held en zelfredzaamheid het nieuwe codewoord. Als ‘professional’ vliegen de uitnodigingen voor participatiedebatten, workshops (zoals deze van Felix Meritis) en bijeenkomsten mij om de oren. De vragen die behandeld worden, gaan voornamelijk over: ‘hoe betrek je de burger?’, en ‘hoe boor je de kracht van de burger aan?’. Zelf word ik als burger ook voortdurend persoonlijk uitgenodigd om te participeren: flyers informeren mij over hoe ik mijn buurt veilig maak, apps laten zien hoe ik mijn openbare ruimte kan verbeteren en in kettingbrieven word me gevraagd of ik een verweesde oma wil adopteren. Kortom: het is crisis. De staat beschikt over minder middelen om zijn burgers bij te staan. Daarom mag ik het zelf doen. Of ik dat wel wil, wordt niet gevraagd. Of ik in staat ben om actief te burgeren evenmin. En er wordt al helemaal niet gevraagd hoe ik dat dan graag zou willen doen.

Ik mag binnen de lijntjes kleuren

Ik moet dan ook bekennen dat ik mij lichtelijk unheimisch voel bij het begrip ‘de actieve burger’, onze nieuwe held. Waarom? Ten eerste wordt de burger op zo een prachtig voetstuk gezet, dat bepaalde problematiek rondom dit onderwerp onzichtbaar blijft. Namelijk dat de ruimte waarin ik actieve burger mag zijn in grote mate wordt bepaald door andere, machtige actoren: de (politieke) staat en de markt. Daar waar zij geen verantwoordelijkheid meer willen of kunnen nemen, daar mag ik actief zijn. Maar dan moet ik wel netjes binnen de lijntjes kleuren. Zodra ik even uitschiet, ben ik een luis in de pels en is mijn gedrag ongewenst.

Ik mag in het kader van Burgernet wel de politie bellen, maar liever niet maandenlang vreedzaam protesteren met tentjes voor een stadshuis waar iedere dag stelletjes voor de wet in het huwelijk treden (‘verpest het stadsbeeld zo, hè’). Ik mag onder zeer strenge voorwaarden en regels een wijkonderneming starten, maar het kraken van hetzelfde pand om leegstand tegen te gaan, is strafbaar geworden. Ik mag wel stemmen tegen een vaste koopzondag in Utrecht, maar als ik mij organiseer in een burgercollectief ben ik de gemeente en de grote winkelketens een doorn in het oog. Kortom, ik mag participeren, maar graag wel een beetje beschaafd en zonder tamtam alstublieft. Maar wie bepaalt wat beschaafd is? Dit blijft vaak onduidelijk.

Wetenschappers Fowler en Biekart (2012) doen een goede poging om buiten de gerechtelijke termen een definitie te geven van ‘civiele actie’: "The ‘civic’ dimension is that this type of action involves two core values: a concern for the whole – at whatever scale is appropriate – and respect for the many differences between people and groups that a society contains. Uncivil actions typically work against these principles.” Op welke schaal wordt hier in het midden gelaten, maar het komt mijns inziens neer op het feit dat degene die de (toegang tot) macht heeft, bepaalt wat een burger mag ondernemen in zijn actieve ruimte, en wat niet. 

Best Practices bestaan niet

Ten tweede hebben we het vaak over best practices: in parades van ‘goede voorbeelden’ wordt de maatschappelijke veerkracht van de burger uitbundig gevierd. Maar om volledig te zijn over dit onderwerp, vind ik dat we de ‘worst practices’ ook niet moeten schuwen. Zelforganisatie is niet heilig en mislukt vaak, zegt ook aanstaande hoogleraar Justus Uitermark. Actieve burgers zijn enthousiast en leergierig, maar ook onvoorspelbaar het gaat om hun (vrijwillige) inzet vanwege tijdgebrek of gebrek aan zin in de rotklussen die erbij horen. En meer dan eens ontstaan ongelijke structuren door de onzichtbare manier van organiseren. Dit kan leiden tot segregatie, waarin de ene groep wel toegang heeft tot al dan niet publieke middelen, en de andere niet. In de wijk geldt toch vaak het recht van de sterkste: degene met de meeste tijd, de vlotste pen, de grootste mond en het beste netwerk, komt het verst. En hij neemt daarin zijn ‘naaste vrienden, buren en familie’ graag mee. Die ‘vreemde ander’ laten we sneller staan. Dit zit in de mens. Wij doen niet alles voor het collectief. We doen als het mee zit een deel. En anders liever niet. 

De burger als uitgangspunt

De vraag die in de Felix Meritis-workshop gesteld wordt, is natuurlijk zonder twijfel relevant: ‘Hoe moet actief burgerschap in de dagelijkse praktijk vorm krijgen?’. Maar als deze vraag gesteld wordt, zou ik er om twee redenen voor willen pleiten dat we ons ook afvragen: ‘Hoe geeft de burger zelf vorm aan zijn burgerschap?’.

Ten eerste vind ik dat als we kijken naar ‘actief burgerschap’ wij ons niet kunnen permitteren om ons alleen te focussen op de kansen en goede voorbeelden. Dat is namelijk geen realistische afspiegeling van de werkelijkheid waarin wij samenleven. We mogen best met wat meer realiteitszin kijken naar bestaande machtsverhoudingen en rolverdelingen. Deze worden zichtbaar als we ook kijken naar vormen van ‘ongewenst burgerschap’: uitingen van burgerschap die geen of slechts gedeeltelijk goedkeuring vinden bij onze overheid of de markt. Juist door dit vage grensgebied onder de loep te nemen, kunnen wij daadwerkelijk begrijpen wat ons burgers beweegt om actief deel te nemen aan onze publieke ruimte. Ook als dat in ‘zeer ongewenste vorm’ is, door bijvoorbeeld gewelddadig te protesteren, of door een illegaal in huis te nemen.

Ten tweede lijkt mij deze vraag relevant als wij op zoek willen gaan naar nieuwe omgangsvormen voor de veranderende relaties tussen de burger en de overheid. Het implementeren van modellen en vormen van actief burgerschap in de dagelijkse praktijk van de burger kan wellicht bestaan in de stoutste dromen van een top-down beleidsmaker. Maar de werkelijkheid heeft ons geleerd dat je maar weinig op kunt leggen aan de burger als het gaat om initiatieven die zij zelf ondernemen. Dit moeten we ook niet willen. De overheid moet zich juist laten voeden met geluid uit die dagelijkse praktijk. En ze moet geluiden die in eerste instantie niet zo beschaafd of civiel zijn ook serieus nemen, in plaats van af te doen als ongewenst en daarom liever ‘niet gezien’. De overheid mag zijn verantwoordelijkheden daarin niet gewoon overdragen, maar moet juist een actieve rol willen blijven spelen. Ze moet meedenken, hierdoor blijft zij ook verbinding houden met haar burgers. Om dit te bewerkstellingen is echt niet meer geld nodig. Hier is een andere manier van werken voor nodig. Een open, actieve houding; een ambtenaar die in cadans optrekt met de burger.

De vraag is dan ook meer: hoe werk je horizontaal mét actieve burgers, in plaats van vóór burgers, of zónder burgers?


Marlieke Kieboom