Vaarwel basisbeurs, welkom adaptief leenstelsel

    7 november 2012

    De kogel lijkt door de kerk te zijn: de basisbeurs voor studenten gaat vanaf 2014 op de schop. Hier komt dan een ‘sociaal’ leenstelsel voor terug. Veel studenten staan op hun achterste poten, met de Landelijke Studenten Vakbond (LSVb) voorop. Net na de grote opluchting over de afschaffing van de alom gehate langstudeerboete, krijgen studenten een strop van ongeveer 13.000 euro voor hun kiezen. Een veelgehoorde zorg is dat veel jongeren straks afzien van een studie omdat ze geen enorme schuld willen opbouwen. Is het inderdaad een grove schande of zitten er ook positieve kanten aan de afschaffing van de basisbeurs? En is het eigenlijk wel het belangrijkste probleem om je kwaad over te maken? 

    Een korte geschiedenis

    Het is goed om te beseffen dat de basisbeurs – een gift – er nog helemaal niet zo lang is. De eerste studiebeurzen dateren uit de negentiende eeuw en waren vooral bedoeld voor zeer begaafde, maar onvermogende jonge mensen. Let wel, dit waren geen giften maar leningen. De hoogte van die leningen steeg gestaag gedurende de decennia erna, zodat steeds meer mensen konden studeren. Maar door de excellentie-eis vielen toch veel jongeren buiten de boot. Alleen de allerslimsten en kinderen van rijke ouders konden zich een studie in het hoger onderwijs permitteren. Ik heb maar eens aan mijn eigen vader gevraagd hoe het zat, een ervaringsdeskundige die studeerde in het midden van de jaren ’60:

    “Toen was de studiefinanciering – per gezin, dus niet per kind – sterk afhankelijk van het inkomen van je ouders en de kosten van de studie zelf. Ik kreeg voor mijn hele studie een lening van 3000 gulden voor 5 jaar (600 gulden per jaar) en de avondstudie erna aan de universiteit moest ik helemaal zelf betalen. Studeren was toen echt nog wel een beetje elitair en op kamers wonen (‘in de kost liggen’) kwam weinig voor omdat dit de kosten alleen nog maar hoger maakte. Het kwam erop neer dat als je ouders de kosten enigszins konden opbrengen, je geen studiefinanciering kreeg.

    Met de Wet op de Studiefinanciering in 1986 veranderde het uitgangspunt. Iedere student kreeg recht op een basisbeurs, ongeacht ouderlijk inkomen of schoolprestaties. In 1993 werd de zogenoemde Tempobeurs ingevoerd, gevolgd door de Prestatiebeurs en de aanvullende beurs in 1996. Het stelsel werd zo ingewikkeld en de kosten zo hoog dat eigenlijk niemand meer echt blij was met de studiefinanciering. Nu is het 2012 en er lijkt niet veel veranderd aan die situatie. 

    Is het wel zo erg allemaal?

    Door tegenstanders van de afschaffing wordt een beeld geschetst alsof studeren vanaf nu onbetaalbaar wordt voor de meeste mensen. Hans Vossensteyn onderzocht de invloed van financiële prikkels op de keuze voor wel of niet studeren en kwam tot de conclusie dat het allemaal wel meevalt: “Er is wel leenangst, maar als puntje bij paaltje komt, gaan studenten toch lenen.” Volgens zijn onderzoek zijn sociaaleconomische achtergrond, opleiding van de ouders en het niveau van de vooropleiding het meest bepalend voor de keuze om wel of niet te gaan studeren (bron: Scienceguide).

    Wat zou ik doen?

    Op de website van IB-groep/DUO staat een handig rekenprogrammaatje waarmee je een indicatie van je totale schuld kunt uitrekenen. Ik heb even wat gegevens ingevuld die me realistisch leken: 4 jaar lang een maximale prestatiebeurs (272 euro), maximale lening (540 euro) en, waarom ook niet, maximaal collegegeldkrediet (148 euro). Dat is samen 960 euro per maand. En doe er ook maar een ov-kaart (‘studentenreisproduct’) bij. Daarmee kwam ik uit op een studieschuld van 34 duizend euro. Als ik mijn diploma niet zou halen zelfs 52 duizend euro. Astronomische bedragen, zelfs voor iemand met 15 jaar werkervaring. Voor iemand van 18 zijn ze waarschijnlijk zo onoverzichtelijk hoog dat je je er geen voorstelling van kunt maken. De vergoelijking “maar het is tegen een heel laag rentetarief en je mag er 15 jaar over doen” is veel gemakkelijker te bevatten. Ik zou het doen. Maar niet iedereen.

    Schuld na 4 jaar lenen.

    Twee soorten mensen en hun principes

    Volgens mij zijn in de discussie grofweg twee soorten mensen aan te wijzen: zij die een (aangeleerde?) aversie hebben tegen schulden maken. En zij die graag investeren in een betere opleiding, ook als dat betekent dat je de arbeidsmarkt op gaat met een grote schuld. Een extra parameter is nog ‘je hand niet op willen houden’, dit komt in beide groepen voor. In de eerste groep ‘schuldhaters’ zorgt dit ervoor dat je zonder enige hulp van de overheid gaat studeren of er maar helemaal vanaf ziet. In de tweede groep ‘investeerders’ verandert er niet zoveel omdat ze de basisbeurs toch al onzin vonden. Die extra schuld kan er ook nog wel bij. 

    Waar de discussie over moet gaan

    De discussie zou wat mij betreft niet moeten gaan over ieders principes ten opzichte van schulden en overheidsverantwoordelijkheid versus eigen verantwoordelijkheid. Daar kom je toch niet uit. Als je die verschillen als gegeven neemt, kun je wel kijken naar wat er gebeurt met het totale systeem van onderwijs in Nederland. Voorzitter van de hbo-raad Thom de Graaf denkt op basis van gegevens van het CPB dat zeker 15 duizend studenten minder een hbo-opleiding zullen volgen als de basisbeurs wordt afgeschaft en 25 duizend als ook de aanvullende beurs eraan gaat. Dat zijn serieuze cijfers die er vanuit gaan dat jongeren bij hun principes blijven. En dan de moslims, die van hun geloof geen rente mogen afdragen… Voor hen wordt het leenstelsel heel ingewikkeld. Is dat de strijd die gevoerd moet worden – over principes ten aanzien van schulden maken – of kunnen we beter kijken naar het totaalplaatje van onderwijs in Nederland? Die laatste zin is retorisch bedoeld.

    Want wordt er straks nog wel iemand verpleegkundige of leraar als je dan bent verzekerd van een enorme schuld en een laag salaris, als je al een baan kan krijgen? Of zitten we straks met een land vol bedrijfseconomen? En hoe zit het met de bètastudies, die meestal niet in vier jaar af te ronden zijn? Er is op zich niet zo veel mis met een sociaal leenstelsel, mits je ervoor zorgt dat er geen selectie aan de poort plaatsvindt op basis van inkomen, maar op basis van prestatie en motivatie. Een leenstelsel is niet erg als je tegelijkertijd investeert in een (veel) betere aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt. Dit betekent ook dat je slim moet anticiperen op de vraag naar bepaalde studenten in het bedrijfsleven. Als we nu weten dat er over vijf of tien jaar te weinig afgestudeerde natuurkundigen, verpleegkundigen en leraren zijn, dan moeten we daar nu in investeren. Bijvoorbeeld door die studenten renteloos te laten lenen of toch een basisbeurs te geven. Of door hun salarissen te verhogen. Dit moet veel beter gemonitord en geanalyseerd worden dan nu, zodat er geen overschotten en tekorten ontstaan. Bovendien moet de studiefinanciering voor deeltijdstudenten gewaarborgd zijn en de aanvullende beurs buiten het leenstelsel blijven om de toegankelijkheid van het onderwijs te garanderen (dat laatste staat gelukkig al in het regeerakkoord). 

    Bijbaantjes, een zwak punt in het leenstelsel

    In het ‘sociaal’ leenstelsel wordt er wat mij betreft iets te gemakkelijk vanuit gegaan dat studenten hun karige lening aanvullen met geld van de ouders en/of een of meerdere bijbaantjes. Want “daar is heus genoeg tijd voor naast de studie”. Maar is er voor al die studenten wel een baantje? En wat gebeurt er als je opeens je bijbaan kwijtraakt of je ouders willen niet meebetalen aan je studie terwijl ze wel genoeg verdienen? Kun je dan toch een aanvullende beurs aanvragen? Is het enige antwoord van het kabinet dan “vroeger moesten mensen ook zelf hun studie betalen, jullie zijn verwend, zelfontplooiing doe je maar na je studie”?

    Flexibel en adaptief leenstelsel

    Ik pleit voor een flexibel en adaptief leenstelsel en de zekerheid dat een grote studieschuld bijvoorbeeld écht niet meetelt zodra je een hypotheek wilt afsluiten (nu nog theorie). Als het geld dat uitgespaard wordt met de afschaffing van de basisbeurs terugvloeit in maatregelen die het onderwijs verbeteren en onze kennissamenleving versterken (en dat belooft het regeerakkoord), is een leenstelsel zo slecht nog niet. Het is dan in elk geval geen “dolkstoot in de rug van Nederland Kennisland” zoals de LSVb beweert. Misschien vergroot het bovendien de intergenerationele solidariteit, wat hard nodig is door de vergrijzing en zorgkosten die de pan uitrijzen. Dan kunnen de babyboomers in elk geval niet meer roepen dat de basisbeurs een ‘verkapte biersubsidie’ is. 

    Studieschuld en Kennisland

    Ik heb een klein onderzoek gedaan onder mijn collega’s en daaruit blijkt dat we perfect voldoen aan het Nederlands gemiddelde met ongeveer 15 duizend euro studieschuld per persoon. Dit varieert dan wel van 0 euro tot meer dan 40 duizend euro, maar ook die laatste collega heeft er dankzij een goede studie toch maar mooi een leuke baan aan overgehouden. En zeg nou zelf, die 266 euro extra per maand opbrengen met een bijbaantje moet echt wel lukken toch…? Mijn advies: lekker gaan studeren!


    Marcel Oosterwijk

    Deze tekst heeft een Creative Commons Naamsvermelding-licentie (CC BY) en is gekopieerd van de Kennisland-website. Ga voor de volledige versie met afbeeldingen, streamers en noten naar https://www.kl.nl/opinie/vaarwel-basisbeurs-welkom-adaptief-leenstelsel/

    This text has a Creative Commons Attribution License (CC BY) and has been copied from the Kennisland website. For a full version with images, streamers and notes go to https://www.kl.nl/opinie/vaarwel-basisbeurs-welkom-adaptief-leenstelsel/