Het lerarentekort: feit of fictie?

11 oktober 2013

In het NRC Handelsblad van 30 september stond een artikel over het lerarenkort: ‘Dat lerarentekort komt er dus echt wel’. Het artikel roept veel vragen op over de bedoelde en onbedoelde effecten van ramingen en het beleid dat daarop is gebaseerd. Heeft het zin onderwijsbeleid te maken voor een zo lange termijn? Wat zijn onverwachte fenomenen die van invloed zijn op de onderwijsarbeidsmarkt? Wat moeten scholen hiermee? En kunnen we niet iets anders verzinnen waardoor scholen flexibel kunnen inspelen op bijvoorbeeld het lerarentekort?

Het artikel in de NRC begint met het verhaal van een pabo-student die na haar afstuderen toch niet zo gemakkelijk aan een baan kwam als gedacht. En zes jaar later werkt ze nog steeds niet in het onderwijs. Haar verhaal is exemplarisch voor wat er momenteel gaande is: er zijn 10.500 werklozen in het basisonderwijs. Nederlandse leraren gaan zelfs de grens over om een baan in het onderwijs te vinden. Terwijl de commissie Rinnooy Kan al in 2007 het rapport LeerKracht! schreef waarin een lerarentekort werd aangekondigd. Dat blijkt inmiddels een uitgesteld tekort: het wordt nog steeds voorspeld, maar nu ligt het hoogtepunt in 2019 volgens de NRC. Een latere pensioenleeftijd, bevolkingskrimp en beperkte financiële middelen, waardoor er eerder leraren worden ontslagen dan aangenomen, maken van het lerarentekort een complexer vraagstuk dan aanvankelijk werd gedacht.

Is er wel urgentie?

Kennisland houdt zich ook bezig met de onderwijsarbeidsmarkt. Samen met het CAOP vormen we de projectleiding van de InnovatieImpuls Onderwijs (IIO). Dit is een subsidieregeling voor 150 scholen (po en vo) in Nederland die innovatieprojecten uitvoeren op het gebied van functiedifferentiatie, slimmere onderwijsorganisatie en ict. Streven is dat er uiteindelijk met minder leraren hetzelfde werk gedaan kan worden, zonder dat de werkdruk stijgt en met een minstens gelijkblijvende onderwijskwaliteit. Hele mooie ambities, en natuurlijk hopen we dat dit resultaten oplevert voor het onderwijs waarmee het lerarentekort op lange termijn op een slimme manier aangepakt kan worden. Er wordt hard gewerkt aan verschillende experimenten zodat scholen slimmer en flexibeler met fluctuaties op de arbeidsmarkt om kunnen gaan.

Mijn ervaring is echter dat ‘het lerarentekort’ op dit moment op vrijwel geen enkele school speelt. Soms is het moeilijk een goede docent natuurkunde te vinden, of blijkt het niet mogelijk om alle vakken aan te bieden aan scholieren. Maar vrijwel overal waar we komen vragen leraren: “Dat project van jullie is toch geen manier om ons makkelijker te ontslaan? Hoe kunnen we innovatief en flexibel zijn als we zo weinig middelen hebben en alle eindjes aan elkaar moeten knopen?” En dan zeggen wij: “Het is een toekomstig lerarentekort.” Dan zijn we dus aan het uitleggen waarom het een probleem is en waarom het ook hun probleem is.

Regeren is vooruitzien

Slimmer werken en flexibel zijn, niet echt begrippen waar ze op zitten te wachten in het onderwijs. Soms omdat dat ook heel moeilijk is en er weerstand tegen verandering bestaat, maar meestal omdat er andere problemen en urgenties zijn. Fusies, bezuinigingen, tekorten, inspectie, eindexamens, om er maar een paar te noemen. Dit leidt tot de vraag: moeten we aansluiten bij vraagstukken die op scholen spelen, bedenken we als KL zelf wat we belangrijk vinden (scholen moeten lerende organisaties worden) of werken we vanuit ramingen van het ministerie over een toekomstig probleem dat niet gevoeld wordt? 

Als we van een overheid verwachten dat ze een langetermijnperspectief heeft en beleid maakt dat verder reikt dan één kabinetsperiode, is het gevolg dat sommige kwesties nog niet spelen in de onderwijspraktijk op het moment dat het beleid gevormd wordt. Aan de andere kant is meegaan met de waan van de dag in het onderwijs wellicht ook niet de meest efficiënte manier van werken. Als elke school individueel zijn urgenties gaat bepalen worden interventies heel incidenteel en kostbaar.

De rol van leiders in het onderwijs

Toch denk ik dat je met leraren alleen maar kan werken aan vraagstukken die beleefd en gevoeld worden door henzelf. Dat degenen die voor de klas staan niet direct last hebben van een toekomstig lerarentekort is logisch. Dat dit soort zorgen niet direct onder hun verantwoordelijkheid lijken te vallen is ook begrijpelijk. Maar schoolleiders en schoolbesturen moeten visie en perspectief hebben en bieden. Ze kunnen bijvoorbeeld regionaal samenwerken om tekorten te voorkomen of op te vangen. Van hen verwacht je dat ze zich laten informeren over de ramingen van OCW, de toekomstscenario’s en mogelijke maatregelen. 

Leg de verantwoordelijkheid en het mandaat bij het onderwijs zelf

Mijn ideaal is dat scholen zelf in staat zijn om hun problemen te identificeren en zelf op een veranderende omgeving kunnen inspelen. En dat ze ook de verantwoordelijkheid en het vertrouwen krijgen om dat daadwerkelijk te kunnen doen. Of het nou gaat om de arbeidsmarkt, om demografische veranderingen, of om al die andere onverwachte en onbekende verschijnselen die zich voordoen. Dat ze zelf besluiten om samen te werken en een natuurkundeleraar te delen of samen een vak aan te bieden. Dat er geëxperimenteerd wordt met nieuwe technologie op de ene locatie en dat ervan geleerd wordt op de andere. Dat leraren zelf onderzoek kunnen doen naar de impact van al die vernieuwingen op de onderwijspraktijk. De ondersteuning die ze daarvoor nodig hebben moet georganiseerd worden door de schoolleiders en de schoolbesturen – die faciliteren de vernieuwing en het leren erover, en die houden de grote lijnen en ontwikkelingen in het oog.

De overheid kan niet degene die de urgentie in het onderwijs bepaalt. Dat doet het onderwijs zelf.

Nora van der Linden